Als kind vond ik het al een spannend idee om iets uit steen te kunnen maken. Kunst speelde bij ons thuis echter niet zo'n rol en er waren geen contacten met kunstenaars. Het is toen niet gestimuleerd. Nadat ik ben gaan studeren heb ik wel mijn ogen open gehouden voor een beeldhouwcursus, maar die spraken me meestal niet aan. In 1994, toen ik al lang werkte, heb ik de cursus van Mark Rietmeijer ontdekt. Die sprak me wel aan omdat je daar gelijk met steen ging werken. Al die andere cursussen begonnen met tekenen, kleien, modellen bouwen alvorens je in steen mocht werken. Bij Mark begin je de eerste les al een stuk speksteen te bewerken. Toen de cursus na een half jaar afgelopen was, hebben we met een aantal cursisten de ruimte verder gehuurd, 1 keer per week. Het cursusjaar daarop ben ik begonnen met een cursus marmer hakken, ook bij Mark.
Nadien is het een steeds groter deel geworden van wat ik doe, zowel qua tijdsbesteding als qua belang. Ik heb mijn leven steeds meer ingericht naar het beeldhouwen. Aanvankelijk ben ik 4 dagen betaald gaan werken, toen heb ik een sabbatical year opgenomen en nadien heb ik een halve, betaalde baan gevonden.
Ik werk in natuursteen. Een paar jaar geleden, gedurende dat sabbatical year, heb ik een paar maanden in Portugal gewoond en vandaar veel steen meegenomen. Marmer uit de omgeving van Vila Vicosa en ook kalksteen. Dat laatste is veel zachter dan marmer en kan niet tot glans gepolijst worden. Die stenen, daar werk ik nu nog steeds mee.
Daarvoor werkte ik met Italiaans marmer, dat is zachter, fijner en homogener dan Portugees marmer. Het laat zich preciezer bewerken, maar is minder sterk. Dat kan ook gelegen hebben aan de precieze vindplaats enzo. Het is niet makkelijk om betrouwbare, bruikbare informatie te vinden over stenen en steengroeves. Mijn eigen ervaring en die van collega's is wat ik weet over steen.
Andere natuurstenen gebruik ik op het moment niet. Ze zijn vaak (nog) schadelijker voor de gezondheid doordat ze op silicium gebaseerd zijn zoals graniet, basalt en zandsteen (NOOT: mag eigenlijk niet bewerkt worden in Nederland EINDNOOT) of doordat ze daarnaast ook nog asbest kunnen bevatten zoals serpentijn. Het lichaam kan dat stof niet afbreken. Het atelier waar ik nu werk is voor zulk materiaal niet geschikt, omdat er bijvoorbeeld geen goede stofafzuiging is.
Ik gebruik vooral handgereedschap. Ik wil op een manier werken die volgens mij bij het materiaal past, dat betekent voor mij dat ik steen weghaal om tot een vorm te komen, en dus niet vormen samenstel, construeer. Dat weghalen doe ik vooral met hamer en puntbeitel. Grof werk doe ik soms d.m.v. klieven, d.w.z. gaten boren en breken m.b.v. wiggen. Ook grof schuurwerk doe ik deels machinaal, met elektrisch roterend gereedschap. In beide gevallen gebruik ik machines voor het grove voorwerk. Omdat ik niet vanuit een ontwerp werk, is het moeilijker om elektrisch/pneumatisch gereedschap te gebruiken. Beeldhouwen is voor mij vooral 'houwen'; dat spreekt me aan, dat wil ik doen.
Het proces van werken is een zoektocht. Die is mijn belangrijkste motivatie, daaraan ontleen ik het plezier. Die kost ook de meeste mentale inspanning; het zoeken naar oplossingen bij het werk in wording. Vragen zijn dan b.v. : Welke vorm wordt het precies en in welke verhouding breng ik de elementen tot elkaar? Hoe ver werk ik de elementen uit i.v.m. de struktuur en sterkte van het materiaal? Gegeven dit vooraanzicht, hoe moet ik dan de andere aanzichten uitwerken?
Het tastbare resultaat is natuurstenen beeldhouwwerk. Het lijkt uiteindelijk bijna geen steen meer. De beelden lijken zacht, ze vragen om aanraking. Het zijn abstracte vormen, die meestal uit meer dan een element bestaan. Tegen elkaar aan, elkaar kruisend...: in samenhang met elkaar. De beelden zijn uit ee'n steen gemaakt. Gewoonlijk plaats ik ze ook niet op een sokkel. Ik streef naar vormen die van alle kanten bekeken kunnen worden, ook onder en boven. De beelden komen het meest tot hun recht in een open ruimte. De elementen zijn niet zuiver geometrisch, maar gedraaid en verbogen, ze verlopen in andere vormen.
De massa van het beeld zie ik als afgegrensd door lijnen in de driedimensionale ruimte. Het gaat mij vaak om de bewegingen in het lijnenspel. De lijnen kunnen vaak eenvoudig zijn. Bijvoorbeeld curves, koloiden, wijkend, parallel... Het gaat me om de samenhang of juist het contrast tussen de lijnen en in het lijnenspel. Het lijnenspel is als het ware de vierde dimensie van het beeld. Het suggereert beweging in het beeld als je er van verschillende kanten naar kijkt en als je de lijnen met je ogen volgt.
De Rode Vrouw, ja. [helaas nog geen afbeelding beschikbaar] Dat is een sterk gestileerde vorm, waarin je een vrouwenrug kunt herkennen. Er zit een tweede element in het beeld: een soort gekromde plaat. Als je er een betekenis aan wilt toekennen, zou men het kunnen zien als twee gemoedstoestanden of als twee houdingen van dezelfde rug; zacht versus gespannen of wringend. Dit is een soort "romantische lading". Die is in de meeste beelden niet zo uitgesproken aanwezig. Wel is voor mij achteraf vaak zo'n soort emotie in de beelden herkenbaar.
Het is wat kunstmatig om het in stappen te scheiden, maar goed. Het begint met de steenkeuze. Dat hangt af van beschikbaarheid, volume, vorm, kleuren, kwaliteit, enz.
Dan moet ik de steen neerzetten op de werkplek. Boven de 100 kg is dat een proces op zich. Op dat moment ben ik al heel erg met de steen bezig; met de vorm, het gewicht. Meestal zijn het ruwe brokken steen, die zijn goedkoper dan gezaagde stukken, dus hebben ze geen geometrische vorm.
Vervolgens ga ik alleen maar kijken, zoals bij de steenkeuze, naar vorm, kwaliteit, kleur...
Geleidelijk begin ik dan met aanhakken. Dat is gedeeltelijk ook een onderzoek van het materiaal. Ik beoordeel dan de hardheid, kleur, gelaagdheid enz. Als ik breukvlakken waarneem, kijk ik hoe diep die gaan. Stukken die toch zouden afvallen door slechte kwaliteit hak ik weg.
Het 'echte werk' hierna verloopt op verschillende manieren. Dat verschilt per keer.
Soms is het simpelweg een kwestie van beginnen met hakken en ingaan op wat er gebeurt. Dat betekent voor mij dat ik ook in de steen hak en niet alleen de buitenkant bewerk. Ingaan op wat er gebeurt, betekent dat ik moet blijven kijken wat ik doe, wat er gebeurt. Misschien worden de contouren zichtbaar van twee vormen, breken er stukken weg, blijkt de vorm te saai...
Soms heb ik een soort basisvorm vooraf in mijn hoofd. Deze is niet driedimensionaal. Eerder een soort aanzicht. Bijvoorbeeld een schildvorm en een paal en de verbinding daarvan. Of bijvoorbeeld mijn laatste beeld, dat in gedachten oorspronkelijk zou moeten hebben bestaan uit een menhirvorm en een sikkel. Dat is puur een uitgangspunt.
In beide gevallen moet ik gaandeweg aanpassen. B.v. doordat een deel oninteressant blijkt te zijn als je het driedimensionaal uitwerkt. Door denkfouten. Doordat het materiaal niet geschikt blijkt voor de vorm. Doordat de vorm niet aanspreekt of saai is. Soms zijn dit dramatische keuzes, waar ik fundamenteel van vorm wijzig.
Tijdens het proces van hakken heb je veel keuzemogelijkheden. Dat is een deel van de spanning en het plezier. Geleidelijk aan vermindert die hoeveelheid mogelijkheden. De uiteindelijke vorm begin je dus stukje bij beetje te ontdekken. De uiteindelijke vorm ontstaat. Dit staat voor mij haaks op 'het vinden van de vorm' waarover je wel eens hoort. Ik ga er niet vanuit dat 'de vorm al in de steen zit'. Ik ervaar dat niet zo. Er bestaat voor mij ook geen vooraf bedachte vorm. Het is een wisselwerking van materiaal, het proces, stemmingen, tijd e.d. Het is alsof ik zonder vast einddoel op reis ben: de reis op zich is bijzonder, met onverwachte momenten.
In deze fase is het contact met andere beeldhouwers belangrijk. M.n. op keuzemomenten wil ik er met mensen over praten. Er moet dan een vraag in mij leven. Dat kan niet te vroeg in het proces. Mijn gesprekspartner moet mijn idee voor het beeld kunnen accepteren en daarop kunnen reageren. Als ik vervolgens mijn basiskeuzes moet verdedigen i.p.v. over mijn vraag bezig te kunnen zijn, dan kan zo'n gesprek meer dwarszitten dan helpen.
Je zou kunnen zeggen dat de vorm aankomt. Op een gegeven moment weet ik dat ik heb bereikt wat ik op dat moment kan. Tijdens het afwerken ben ik al vaak met het volgende werkstuk bezig. Een af beeldhouwwerk voelt voor mij nog lang, vaak maandenlang, alsof het niet door mij gemaakt is. Ik moet er langzaam weer vertrouwd mee raken. Ik zie dan ook dingen die ik inmiddels anders zou oplossen. Dit is een ontwikkelingsproces van mijzelf. Zo'n werk is dan toch wel af voor mij. Het is goed genoeg, maar niet perfect. En eigenlijk ben ik al bezig met het volgende. Wat ik geleerd heb, zal daar een deel van worden.
De afwerking doe ik tot nu toe door gladder te maken: haksporen eruit, tandbeitelen, schuren en vijlen. Dat is alleen nog oppervlakte bewerking. Voordeel daarvan is dat de lijnen beter uitkomen. Lijnen zijn de afgrenzing van de massa's. Als deze lijnen scherper en gladder zijn, worden de vormen optisch versterkt; wordt de samenhang helderder.
Soms polijst ik of geef ik de steen een laag was. Dat kan ook tegenwerken, door b.v. spiegelingen die dan ontstaan of doordat de tekening van de steen duidelijker naar voren komt. Dat kan juist van de vorm afleiden.
Gedeeltelijk geeft het materiaal deze in. Gedeeltelijk is dit een individueel gevoel. Verhoudingen moeten in samenhang zijn: harmonisch of contrasterend. Ik begin steeds meer te denken dat er een universeel besef van harmonische verhoudingen (en disharmonieen) bestaat, zoals bijvoorbeeld de Gulden snede. Ik merk aan mezelf en de reakties van anderen (meest mensen uit mijn eigen cultuur: Noordwest-Europa) dat er een soort basisbeoordeling in iedereen aanwezig is over de harmonie van verhoudingen. Het zijn vaak spontane reakties. Of iemand nou geschoold is of niet in het maken of bekijken van kunst, iedereen herkent iets en beoordeelt wat hij ziet op contrast, harmonie, verhoudingen e.d.
Een andere maatstaf die ik gebruik is eenvoud versus complexiteit. Complexiteit kan je in een beeld bereiken in drie dimensies. Wat iemand als eenvoudig of complex beschouwt, is wel individueel verschillend, heb ik gemerkt.
Nee, er zijn niet echt voorbeelden. Ik kan achteraf in een beeld soms wel invloeden herkennen. B.v. van andere beeldhouwers in de direkte omgeving zoals Mark en zijn opvattingen over vormen, ijlheid enz. in het begin. Of de beeldhouwer Kurt Baruch die ik leerde kennen toen ik de Rode Vrouw maakte.
Als je kijkt naar de tentoonstelling van vorig jaar, van de Rietmeijerschool, dan zie je ook dat die beelden wel met elkaar te maken hebben, terwijl ze toch niet op hetzelfde moment of in dezelfde ruimte zijn gemaakt.
Je kunt ook zeggen dat plantaardige vormen, en soms dierlijke, me beinvloeden, evenals wiskundige vormen. Dit zijn allemaal geen bewuste invloeden in die zin dat ik niets naboots. Maar achteraf kan ik het soms waarnemen. Ik ben op dit moment bezig om meer te tekenen, om grip op vormen te krijgen in mijn omgeving. Dit zie ik als een onderzoek vooralsnog losstaand van mijn beeldhouwwerk. Misschien krijg ik hierdoor wel meer zicht op de invloeden, op de samenspraak.
Daar ben ik heel zuinig op. Ik ben begonnen met tentoonstellen, ruim een jaar geleden. Ik wil ze laten zien en eventueel ook verkopen. Verder zet ik ze zo mogelijk thuis neer. Ze zijn ook op die manier een deel van mijn leven.
Ik wil er niet van leven; niet ervan afhankelijk zijn in elk geval. Ik wil juist zo graag geheel vrij zijn in wat ik maak en in hoe snel ik werk. Een deel van mijn werk wil ik wel verkopen. Het bepalen van de waarde ligt echter moeilijk. In een middelgroot beeld zitten al gauw enkele maanden werk - zelfs tegen een minimumloon is dat een fors bedrag. Dan heb je nog niet gesproken over materiaal, atelier, uniciteit enz. Een galeriehouder hanteert bovenop jouw prijs zijn eigen marge van 40-60%... De keuzes die ik maak voor het bepalen van de waarde zijn per beeld verschillend. Dat hangt vooral af van de kwaliteit die ik erin zie.
De reden om het te doen is allereerst het plezier dat ik eraan beleef. Het heeft te maken met de fysieke plus de mentale inspanning. Wat Csikszentmihalyi noemt: de bezigheid wekt bij mij 'flow' op. Ik ga op in deze bezigheid. Het meditatieve karakter van het fysieke werk en de concentratie die nodig is om te zien hoe ik, door het weghalen van steen, tot een vorm kan komen.
Een andere reden is het sociale proces, de contacten met collega beeldhouwers. Het hierover met mensen bezig zijn. De sfeer die heel zuiver is. Hiermee bedoel ik dat er geen concurrentie of machtstrijd plaatsvindt. De naar elkaar toe opbouwende sfeer. Dat ik op dat moment te maken heb met mensen die ook iets doen wat ze graag doen. In (betaalde) werksituaties maak ik dit vaak anders mee. Zo'n soort sfeer komt daar alleen maar in korte periodes voor.
Een ander aspect is dat beeldhouwen iets is waar ik zelf mee bezig ben en alleen maar op mezelf aangewezen ben om een eindresultaat te bereiken. Het vrij zijn van eisen en waardeoordelen van anderen. Zo je wilt kun je het een toevluchtsoord noemen waarin ik me prettig voel.
Het bereiken van een tastbaar eindresultaat, dat is waar de eerder beschreven reis zonder doel uiteindelijk naartoe gaat. Hiermee verbonden is het kunnen laten zien van het werk. Daarbij raakt me een mogelijk negatief oordeel van anderen niet zozeer, ik heb dat trouwens nog nauwelijks meegemaakt [dat iemand negatief reageert]. De eindprodukten van mijn werk zijn abstract en op zich uniek, nog niet eerder gezien. Ze wekken daardoor eerder de nieuwsgierigheid van een willekeurig toeschouwer. In mijn ervaring zijn negatieve reakties te koppelen aan een principieel negatieve houding t.o.v. nieuwe dingen. Dit vertelt, denk ik, meer over de toeschouwer dan over mijn werkstuk.
Die nieuwsgierigheid in toeschouwers opwekken. Denkend aan de tentoonstelling van afgelopen jaar: er was duidelijk bij de aanwezigen behoefte om te kijken naar de beelden en om erover te praten. Ik heb van te voren niet geweten of verwacht dat dit zo zou werken. Ik vond het een hele mooie ervaring. Dit is iets wat ik ook met andere bezigheden probeer te bereiken [het opwekken van nieuwsgierigheid]. Vroeger heb ik dit vooral met woorden, gesprekken en discussies proberen te bereiken, maar ik heb nu dus een nieuw middel hiervoor gevonden. Ik wil hier nadrukkelijk aan toevoegen dat dit niet een doel op zich is. Je zou het een leuk, een ook welkom, bijprodukt kunnen noemen.
Ik wil het eindprodukt zelf ook kunnen bekijken en aanraken. Je zou kunnen zeggen dat ik het achteraf "herontdek".
Individueel, als ik erbij ben, ja. Ik zou het ook graag iedereen toestaan. Het is wel een belangrijk aspect in de beelden, de aanraakbaarheid. Door de kwetsbaarheid van het materiaal ligt dat helaas moeilijk. Teveel aanrakingen beschadigen het materiaal. Voor mensen die onbekend zijn met natuursteen is het vaak onverwacht dat het materiaal zo kwetsbaar is. Ik had vroeger zelf ook het idee dat dit duurzaam materiaal is. Als massa gezien is dat ook zo, maar in de detaillering van het eindprodukt (scherpe randen, gladde vlakken) niet. Stoten, chemische invloeden (huidvet) enz. beschadigen de steen snel.
Ik maak ook zgn. handsteentjes die gemaakt zijn om te voelen. Het zijn kleine werken die naar verhouding heel weinig tijd hebben gekost om te maken. Bij deze vind ik slijtage niet zo erg. Dit zie ik als een manier om dat aanraken mogelijk te maken.
Aanraken is bij kinderen een belangrijk deel van de waarneming en nodig om de ontwikkeling van de visuele waarneming in banen te leiden. Mijn werk is voor de meeste mensen ongewoon, onverwacht. Men zal zulke vormen misschien nog niet eerder hebben gezien. Dus vandaar bij veel volwassenen de behoefte om de vorm te verkennen met de tastzin, net als bij een kind.
Het streven is om 4 a 5 dagen per week, netto een dagdeel bezig te zijn met het beeldhouwwerk zelf. Bruto, met pauzes e.d., is dat anderhalf maal zoveel. Los daarvan kosten zaken als onderhoud van werkplaats en gereedschap, opruimen, verkrijgen van spullen e.d. tijd, maar dat zie ik los van het werk zelf.
Een ander aspect is moeilijk in tijd uit te drukken. Namelijk het mentale bezig zijn met vormen. B.v. naar vormen kijkend door de stad of de natuur lopen of het in gedachten vormproblemen oplossen.
Het zo intensief bezig zijn met vormen, het fysieke aspect van het beeldhouwen en het mentale zoekproces vormt mij. Ook in contacten en in het problemen tegemoet treden (prive en zakelijk). Ik heb b.v. een langere adem gekregen als het om het oplossen van problemen gaat.
De tijd die ik er echt aan beeldhouwen besteed, is veranderlijk: soms wekenlang zeer intensief, soms wekenlang minder tot niet.
Het beeldhouwen, het ermee bezig zijn en ontmoetingen met andere kunstenaars bepalen mijn dagindeling en de keuzes die ik maak, buiten mijn priveleven. Het is de rode draad in mijn werkleven. Ik heb een halve, betaalde baan om economisch onafhankelijk kunst te kunnen maken. Ik ga bewust niet in op aanzoeken om daar meer uren te gaan werken - het zou teveel energie opslokken. Ik heb het geluk dat ik in de ICT kan werken, wat tevens een interessegebied van mij is, en de enige valkuil is dat teveel creatieve energie in het betaalde werk verloren gaat.
* * *
Gyelt Tuinstra